skip to Main Content

Fictieve opzegtermijn

Werkgevers en werknemers krijgen bij ontslag met wederzijds goedvinden te maken met de fictieve opzegtermijn. Maar waarom is die opzegtermijn nu zo belangrijk en wat betekent dit voor het ingaan van een WW-uitkering?

Wat is de fictieve opzegtermijn?

Dit is de termijn die doorlopen moet worden voordat UWV overgaat tot het toekennen van een WW-uitkering. In het geval van beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden is er namelijk geen sprake van een echte opzegging. De werknemer en de werkgever komen na overleg samen tot overeenstemming om het arbeidscontract te beëindigen, ze stemmen daar beiden mee in.

Start en duur fictieve opzegtermijn

De fictieve opzegtermijn begint te lopen vanaf de datum waarop partijen schriftelijk overeenstemming bereiken over de beëindiging. Volgens de wet (art. 19 lid 3 WW) geldt deze datum namelijk als de datum waarop de dienstbetrekking ‘wordt geacht te zijn opgezegd’. De duur van de fictieve opzegtermijn is gelijk aan de opzegtermijn die voor de werkgever geldt, zoals bepaald in de wet, de cao of in de arbeidsovereenkomst. Vaak geldt de ‘wettelijke’ opzegtermijn, die afhankelijk is van de duur van het dienstverband, en meestal moet tegen het einde van de maand worden opgezegd.

Voorbeeld

Jens is drie jaar in dienst bij zijn werkgever wanneer hij en zijn werkgever op 17 september met wederzijds goedvinden (schriftelijk) besluiten dat zijn arbeidsovereenkomst per 1 oktober zal eindigen. In de arbeidsovereenkomst van Jens is een opzegtermijn van 1 maand opgenomen.

Jens gaat eind september naar UWV en vraagt een WW-uitkering aan per 1 oktober, maar tot zijn schrik weigert UWV: de fictieve opzegtermijn is nog niet doorlopen. De fictieve opzegtermijn begint te lopen op 17 september en duurt één maand (de opzegtermijn die voor de werkgever geldt). Op 17 oktober is de termijn doorlopen, maar UWV vergelijkt de situatie met een ‘gewone’ opzegging. De werkgever had tegen het einde van de maand, dus per 1 november mogen opzeggen. Jens kan daarom pas per 1 november aanspraak maken op een WW-uitkering. Jens ontvangt de volledige maand oktober geen loon, want hij is dan al uit dienst zoals is afgesproken in de overeenkomst, maar kan ook nog geen aanspraak maken op een WW-uitkering. Hij heeft dus een maand lang geen inkomen.

Dit had voorkomen kunnen worden als Jens en zijn werkgever in de beëindigingsovereenkomst hadden vastgelegd dat hij op 1 november uit dienst zou treden. In dat geval is de laatste dag dat Jens in dienst is en loon ontvangt 31 oktober en had hij per 1 november aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering. Jens komt zo niet een periode zonder inkomen te zitten.

Conclusie

Bij het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden geldt een fictieve opzegtermijn. Als daar bij het bepalen van de einddatum geen rekening mee wordt gehouden, kan dat ervoor zorgen dat een werknemer een bepaalde tijd zonder inkomen of WW-uitkering moet zien rond te komen. Als de werknemer dan ook geen of onvoldoende vergoeding mee krijgt, kan er een lastige situatie voor de werknemer ontstaan. Advies nodig? Neem gerust contact met mij op.

 

 

Back To Top